Eén fokdoel, één koers, gezamenlijke verantwoordelijkheid
Hoe behoud je de kwaliteiten van het Friese paard en zorg je er tegelijkertijd voor dat er ook voor toekomstige generaties voldoende genetische variatie beschikbaar blijft? Die vraag staat centraal in het herijkte fok- en selectiebeleid van het KFPS. Gezondheid en vitaliteit vormen daarbij het leidende uitgangspunt. Het doel is helder: de inteelttoename terugbrengen tot minder dan 0,5 procent per generatie, zonder de karakteristieke en functionele kwaliteiten van het Friese paard uit het oog te verliezen.
KFPS herijkt hengstenselectie voor een gezond en toekomstbestendig Fries paard
De aanleiding voor de herijking van het fok- en selectiebeleid van het KFPS is de ontwikkeling binnen de gesloten populatie. De inteelttoename bedraagt momenteel 0,7 procent per generatie. Tegelijkertijd levert een relatief klein aantal veelgebruikte hengsten een grote genetische bijdrage aan volgende generaties. Het KFPS wil daarom niet alleen meer genetisch interessante hengsten beschikbaar krijgen, maar vooral zorgen voor een bredere spreiding in het daadwerkelijke gebruik ervan.
Daarvoor stelt de projectgroep acht concrete aanpassingen aan het hengstenselectietraject voor. Samen moeten die zorgen voor meer spreiding van vaderdieren, een bredere instroom, meer genetisch inzicht, een zorgvuldig en transparant selectieproces en meer informatie voor fokkers.
Dekbeperking stapsgewijs naar 120
De eerste aanpassing grijpt rechtstreeks in op het gebruik van goedgekeurde hengsten. Vanaf 2027 gaat een aangescherpte dekbeperking gelden voor alle goedgekeurde hengsten. De limiet wordt stapsgewijs verlaagd: maximaal 180 dekkingen in 2027, 160 in 2028, 140 in 2029 en 120 vanaf 2030. Dekkingen buiten de Europese Unie tellen daarbij niet mee.
De gedachte daarachter is dat niet alleen het aantal beschikbare hengsten telt, maar ook de mate waarin fokkers die hengsten daadwerkelijk gebruiken. Wanneer enkele populaire hengsten een groot of bovengemiddeld aandeel van de veulens leveren, blijven bepaalde bloedlijnen dominant. Door het gebruik meer te spreiden, krijgen meer vaderdieren de kans een bijdrage aan de volgende generatie te leveren.
De maatregel wordt nadrukkelijk gemonitord. Als leidraad wordt een maximale bijdrage van drie procent per hengst per jaar aan het aantal geboren veulens gehanteerd. Als het aantal geboren veulens gedurende drie opeenvolgende jaren met minimaal 300 stijgt of daalt, kan dat aanleiding zijn de limiet opnieuw te beoordelen. Ook moet de registratie van dekkingen verder worden gedigitaliseerd en komt er in 2027 een handhavingsplan.
Twee Centrale Onderzoeken: verschillende routes, hetzelfde fokdoel
Een tweede grote verandering is de uitbreiding van één naar twee Centrale Onderzoeken per jaar. Het bestaande onderzoek in het najaar blijft. Daarnaast komt er een Centraal Onderzoek in het voorjaar. De twee trajecten krijgen bewust een verschillend karakter. Daarmee ontstaat ruimte voor hengsten die vanuit een ander perspectief van waarde kunnen zijn voor de fokkerij.
Het najaarstraject blijft de brede, gestandaardiseerde route. Jonge hengsten van drie tot zes jaar worden onder grotendeels gelijke omstandigheden beoordeeld. Zadel-, men- en tuigpresentatie blijven deel uitmaken van het onderzoek. Het traject richt zich daarmee op een brede beoordeling van onder meer gezondheid, functionaliteit, sportaanleg, rastype en karakter.
Het voorjaarsonderzoek krijgt juist een meer individuele en paardgerichte opzet. Daarin kunnen bijzondere foktechnische kwaliteiten zwaarder worden meegewogen, zoals bloedvoering, verwantschap en bijzondere gebruiks- of sportaanleg. Er komen twee belangrijke instroomroutes. Hengsten met genetische potentie kunnen vanaf driejarige leeftijd op verschillende momenten in het selectieproces worden aangewezen. Daarnaast kunnen hengsten met bewezen sportprestaties worden aangemeld. Het huidige vereiste dat zo’n hengst het Sport Elitepredicaat moet hebben, vervalt. Het reglement moet nog verder worden uitgewerkt. Het eerste voorjaarsonderzoek staat gepland voor 2028.
Daarmee ontstaat feitelijk meer maatwerk binnen één fokdoel. Niet iedere potentiële dekhengst hoeft via exact dezelfde route zijn toegevoegde waarde te bewijzen.
Selectiecriteria gericht verruimen
Meer genetische diversiteit vraagt ook om kritisch te kijken naar bestaande uitsluitingscriteria. Het uitgangspunt is daarbij niet dat kwaliteitseisen worden losgelaten. Wel wil het KFPS-criteria die niet rechtstreeks bijdragen aan gezondheid en functionaliteit opnieuw beoordelen. De voorgestelde verruiming heeft betrekking op drie punten: verbening van het hoefkraakbeen, witte aftekeningen en de instabiele manenkam, gradatie C-lijn.
Bij geringe verbening van het hoefkraakbeen volgt niet langer automatisch uitsluiting. Een hengst met geringe verbening kan worden geaccepteerd onder de voorwaarde dat bij aanvang van het verrichtingsonderzoek opnieuw röntgenologisch onderzoek plaatsvindt. Is de geringe verbening stabiel, dan kan definitieve acceptatie volgen. Bij progressie naar matige of ernstige verbening volgt alsnog afwijzing. Zowel de eerste beoordeling als een eventuele herbeoordeling wordt opgenomen in de hengstenrapportage.
Ook de regels voor witte aftekeningen worden verruimd. Witte zolen worden toegestaan, maar wel geregistreerd en vermeld in de hengstenrapportage. Witte haren boven de horizontale onderste ooglijn worden eveneens geaccepteerd; de huidige maximale doorsnede van drie centimeter vervalt.
Bij een instabiele manenkam van gradatie C-lijn komt een uniforme beoordelingssystematiek. Een C-lijn is geen uitsluitingsgrond meer en als die tijdens de verrichtingsfase ontstaat of duidelijker zichtbaar wordt, leidt niet tot een nieuwe beoordeling binnen het selectietraject.
De projectgroep stelt voor dat de systematiek voor deze verruimingen van geringe verbening, wit in de zool en C-lijn worden verduidelijkt in de reglementen. Voor het verruimen van de witte aftekeningen op het hoofd dient een reglementaire wijziging plaats te vinden. De verruimingen gelden voor beide Centraal Onderzoeken.
Meer data in de beoordeling
Naast de selectiecriteria verandert ook de manier waarop informatie in het selectieproces wordt ingebracht. Er komt een onafhankelijke foktechnische functie, die door één of meerdere functionarissen kan worden ingevuld. Deze functionaris brengt gegevens over onder meer afstamming, verwantschap, fokwaarden, gezondheid, vruchtbaarheid, duurzaamheid en sport- en aanlegprestaties bij elkaar en vertaalt deze naar een onderbouwd advies aan de Hengstenkeuringscommissie (HKC).
De functionaris beslist zelf niet over een eventuele goed- of afkeuring. Die verantwoordelijkheid blijft bij de daarvoor aangewezen organen. De verandering moet vooral betekenen dat de genetische en foktechnische betekenis van een hengst structureler en op basis van controleerbare gegevens wordt meegewogen.
Onafhankelijke toetsing en roulatie
Ook de borging van het selectieproces krijgt aandacht. Een nieuwe Auditcommissie gaat niet individuele hengsten opnieuw beoordelen, maar controleert het proces. De commissie kijkt bijvoorbeeld of procedures zorgvuldig zijn gevolgd, relevante deskundigheid tijdig is ingebracht, verantwoordelijkheden duidelijk zijn en protocollen correct zijn uitgevoerd. De commissie krijgt zowel een controlerende als een lerende functie en rapporteert aan het bestuur.
Daarnaast komt er een transparant roulatieschema voor de HKC en de Verrichtingsjury. Het uitgangspunt daarbij is een combinatie van vernieuwing en continuïteit: nieuwe deskundigheid en inzichten moeten ruimte krijgen, zonder opgebouwde kennis en ervaring gelijktijdig uit de commissies te laten verdwijnen. Het schema moet in 2027 worden uitgewerkt en vastgesteld.
Aanpassing van de nakomelingenonderzoeken
Selectie houdt niet op zodra een hengst wordt goedgekeurd. Uiteindelijk moeten zijn nakomelingen laten zien welke bijdrage hij werkelijk aan de populatie levert. Daarom worden ook de nakomelingenonderzoeken herijkt.
Van de eerste jaargang van een nieuw goedgekeurde hengst worden veulens geselecteerd en uitgenodigd voor keuringen. Het uitgangspunt is dat binnen drie jaar minimaal twintig veulens worden beoordeeld: ten minste tien geselecteerde veulens en tien veulens die door hengstenhouder of fokkers worden aangeboden.
Ook het latere nakomelingenonderzoek verandert. In plaats van minimaal veertig nakomelingen voor de exterieurbeoordeling wordt het uitgangspunt twintig. Minimaal twintig geselecteerde nakomelingen moeten de ABFP-test hebben voltooid én op exterieur worden beoordeeld. Daarmee moet het onderzoek haalbaar blijven in een situatie waarin de nakomelingen door de aangescherpte dekbeperking bewust over meer hengsten worden verspreid.
Voor hengsten die buiten de Europese Unie zijn gestationeerd, wordt het verplichte nakomelingenonderzoek tijdelijk opgeschort. Na terugkeer in de EU wordt het onderzoek hervat.
Uiteindelijk ligt de sleutel bij de hele fokkerij
De achtste aanpassing maakt duidelijk dat het herijkte beleid niet alleen over selectiecommissies en goedgekeurde hengsten gaat. Wat er genetisch met de populatie gebeurt, wordt uiteindelijk mede bepaald door duizenden afzonderlijke fokbeslissingen.
Fokkers en hengstenhouders krijgen daarom nadrukkelijk een rol bij het registreren en delen van gezondheidsinformatie, het benutten van genetische testen en het meewegen van verwantschap, genetische diversiteit en bekende risico’s. Het KFPS moet daar tegenover een toegankelijk registratie- en meldsysteem, goed gegevensbeheer, analyses en heldere informatie stellen.
In 2027 moeten daarvoor concrete stappen worden gezet: een toegankelijk registratiesysteem voor gezondheidsinformatie, heldere afspraken over rollen en verantwoordelijkheden, een veilige meldcultuur en een vaste cyclus van melden, registreren, analyseren, handelen en evalueren.
Daarmee vormen de maatregelen één samenhangend pakket. De dekbeperking moet het gebruik van vaderdieren spreiden. Twee Centrale Onderzoeken en verruimde criteria moeten de beschikbare groep hengsten verbreden. De foktechnische functionaris brengt meer genetische en andere data in het proces. Audit en roulatie moeten de kwaliteit en transparantie van de selectie borgen. Nakomelingenrapportages laten vervolgens zien wat een hengst daadwerkelijk vererft. En door gezondheidsgegevens en genetische informatie breder te verzamelen en te gebruiken, wordt de hele fokkerij onderdeel van de aanpak.
De koers is daarmee niet simpelweg meer hengsten selecteren of minder streng selecteren. Het voorstel kiest voor een andere balans: gericht selecteren op gezondheid, vitaliteit en kwaliteit, terwijl genetische variatie niet onnodig verloren gaat. Dat sluit aan bij de drie pijlers van het herijkte beleid: gezondheid en vitaliteit, genetisch inzicht en verantwoord hengstengebruik.
Dit artikel is een verkorte weergave van het brondocument Herijking Hengstenselectietraject.