Het kantoor is op werkdagen geopend, telefonisch bereikbaar van 9.00-12.00 uur en van 13.00-16.00 uur en bereikbaar via mail@kfps.nl.

Stichting Zeldzame Huisdierrassen: Inteelt, erfelijke afwijkingen en de toekomst van het Friese paard

24 juli 2026

Het Friese paard is een icoon onder de Nederlandse huisdierrassen. Het ras wordt gewaardeerd om zijn uitstraling, karakter, zwarte kleur, behang, werkwilligheid en geschiktheid als tuig-, rij- en recreatiepaard. Juist doordat het Friese paard zo’n sterke eigen identiteit heeft, raakt de recente berichtgeving over inteelt en erfelijke afwijkingen veel fokkers en liefhebbers.

De afgelopen dagen verschenen diverse berichten over gezondheidsproblemen bij Friese paarden. In de berichtgeving van NOS en Omrop Fryslân wordt onder meer gewezen op erfelijke afwijkingen zoals waterhoofd, dwerggroei, slokdarmproblemen, maagproblemen, aortaruptuur en andere ernstige aandoeningen. Ook werd aandacht besteed aan het gebruik van populaire hengsten en de gevolgen daarvan voor verwantschap binnen het ras. Volgens deze berichtgeving bleek in 2022 dat meer dan een derde van de veulens afstamde van één van de tien populairste dekhengsten.

Het Koninklijk Friesch Paarden-Stamboek (KFPS) heeft in reactie daarop benadrukt dat gezondheid van de gesloten populatie van het Friese paard voor het stamboek een zeer hoge prioriteit heeft. Het KFPS plaatst kanttekeningen bij de toon en onderbouwing van sommige media-uitingen, maar geeft tegelijk aan dat er al langere tijd wetenschappelijk onderzoek loopt en dat gewerkt wordt aan een aangepast fok- en selectiebeleid. Volgens het KFPS is het de bedoeling om een geoptimaliseerd plan in november 2026 aan de ledenraad voor te leggen, met uitvoering vanaf 2027. Ook bij NPO Radio 1 werd hierover gesproken met KFPS-directeur Henk Lassche.

Hoe is de hoge verwantschap ontstaan?

De huidige situatie is niet los te zien van de geschiedenis van het ras. Het Friese paard heeft meerdere perioden doorgemaakt waarin het aantal fokdieren sterk terugliep. Het KFPS beschrijft dat er in 1913 nog slechts drie levende raszuivere Friese dekhengsten waren: Prins 109P, Alva 113P en Friso 117P. Om uitsterven te voorkomen werd toen gekozen om het ras van binnenuit te behouden, zonder kruising met andere paardenrassen. Later kwam er opnieuw een moeilijke periode door de mechanisatie van de landbouw. Rond 1970 waren er volgens het KFPS nog maar circa 1.000 geregistreerde paarden en werden jaarlijks nog maar iets meer dan 400 merries gedekt.

Zulke perioden worden ook wel een flessenhals genoemd. Een ras kan daarna in aantallen sterk groeien, maar de genetische variatie die in de flessenhals verloren is gegaan, komt niet vanzelf terug. Onderzoek van Wageningen Universiteit naar de stamboomstructuur van het Friese paard liet zien dat de genetische bijdrage in de moderne populatie terug te voeren is op een beperkt aantal effectieve basisdieren (de founders) en voorouders. In een analyse van bijna 80.000 Friese paarden werd het effectieve aantal founders geschat op 26 en het effectieve aantal voorouders op 16. Daarbovenop werden nog een paar oorzaken genoemd voor het verdwijnen van de genetische variatie.

Daar komt bij dat het Friese paard een gesloten populatie is. Dat betekent dat nieuw erfelijk materiaal van buiten het ras in principe niet wordt toegelaten. Volgens het registratiereglement van het KFPS kunnen paarden voor stamboekregistratie alleen in de hoofdsectie worden geregistreerd als beide ouders in de hoofdsectie geregistreerd zijn. Een gesloten stamboek helpt om type, afstamming en rasidentiteit te bewaren, maar heeft ook een keerzijde: nieuwe genetische variatie kan nauwelijks worden toegevoegd. De beschikbare variatie moet dus zeer zorgvuldig binnen het ras worden beheerd.

Een derde factor is het zogenoemde ‘popular sire effect’, te vertalen als het populaire vaderdieren effect. Als een klein aantal hengsten zeer veel nakomelingen krijgt, neemt de gemiddelde verwantschap in volgende generaties sneller toe. Kunstmatige inseminatie en internationale vraag naar sperma van succesvolle of populaire hengsten kunnen dat effect versterken. Dat geldt niet alleen voor paarden; hetzelfde mechanisme is herkenbaar bij zeldzame rundvee-, schapen-, maar ook hondenrassen wanneer enkele mannelijke dieren bovengemiddeld veel worden ingezet.

Erfelijke afwijkingen verminderen: niet simpelweg alles uitsluiten

Bij erfelijke afwijkingen is de eerste reflex vaak: sluit dragers of risicodieren uit. Dat lijkt logisch, maar in een kleine of gesloten populatie kan massale uitsluiting de genetische basis nóg smaller maken. Het middel kan dan op langere termijn erger worden dan de kwaal. Daarom is zorgvuldige fokkerij nodig: risicoparingen voorkomen, maar waardevolle genetische variatie niet onnodig verliezen.

Voor enkele afwijkingen, zoals dwerggroei en waterhoofd, zijn DNA-testen beschikbaar. Daarmee kunnen dragers worden herkend en kan worden voorkomen dat twee dragers met elkaar worden gepaard. Dragers hoeven dan niet automatisch uit de fokkerij te verdwijnen; ze kunnen verantwoord worden gebruikt met een vrije partner. Dit principe wordt ook bij andere zeldzame huisdierrassen toegepast: niet de drager is het grootste probleem, maar de verkeerde combinatie.

Voor andere aandoeningen is de genetische achtergrond ingewikkelder of nog onvoldoende bekend. Het KFPS werkt daarom samen met Wageningen Universiteit en laboratoria aan een DNA-database en een genetisch managementplan. Doel daarvan is selectie tegen erfelijke gebreken, het voorkomen van nieuwe gebreken én het behoud van genetische diversiteit.

Gezondheid naast sport, type en gebruik

Een fokprogramma moet altijd meerdere doelen tegelijk dienen. Bij het Friese paard gaat het niet alleen om gezondheid, maar ook om rastype, beweging, karakter, sportaanleg, gebruiksgemak en duurzaamheid. Het KFPS-fokprogramma noemt onder andere resultaten uit aanlegtesten, sport, het Centraal Onderzoek, ABFP en IBOP als informatiebronnen voor selectie op gebruiksaanleg. Tegelijk vermeldt het fokprogramma dat gezondheidskenmerken een grotere rol zullen gaan spelen en dat het beleid bestaat uit twee sporen: selectie voor gezondheidskenmerken én terugdringing van inteelt.

Daar zit de kern van de opgave. Een hengst kan uitblinken in beweging, uitstraling of sportaanleg, maar toch relatief sterk verwant zijn aan een groot deel van de merriepopulatie. Omgekeerd kan een minder modieuze hengst juist waardevol zijn omdat hij bloed voert dat minder breed vertegenwoordigd is. Voor duurzame fokkerij is het daarom belangrijk om niet alleen naar de individuele kwaliteit van een hengst te kijken, maar ook naar zijn bijdrage aan de totale populatie.

Dat vraagt om andere keuzes van fokkers. Een goede paring is niet automatisch de paring met de bekendste of best verervende hengst. Een goede paring is een combinatie waarbij gezondheid, verwantschap, erfelijke risico’s, karakter, exterieur, gebruiksdoel en genetische spreiding samen worden afgewogen. Moderne hulpmiddelen zoals inteeltberekening, verwantschapsinformatie, DNA-testen en proefparingen kunnen daarbij veel betekenen, mits ze consequent worden gebruikt.

Wat kunnen fokkers en stamboeken hiervan leren?

De discussie rond het Friese paard is emotioneel begrijpelijk, maar ook leerzaam voor andere oorspronkelijke en zeldzame rassen. Fokkers van bijvoorbeeld Lakenvelder runderen, Mergellandschapen, Nederlandse landgeiten of zeldzame hondenrassen herkennen dezelfde spanning: men wil het ras behouden zoals het is, maar moet tegelijk voorkomen dat de populatie genetisch te smal wordt. In enkele gevallen wordt gekeken naar outcross, het incidenteel fokken met onverwante dieren van een ander ras, om de genetische variatie te vergroten. Ondanks positief effect hiervan blijft het een gevoelig thema.

De belangrijkste les is dat behoud niet alleen betekent dat het aantal dieren stijgt. Werkelijk behoud vraagt ook om spreiding van bloedlijnen, voldoende inzet van mannelijke dieren, betrouwbare registratie van gezondheidsproblemen, openheid over risico’s en bereidheid om fokdoelen tijdig bij te stellen. Een groeiende populatie kan genetisch kwetsbaar blijven wanneer veel nakomelingen uit dezelfde lijnen komen.

Voor het Friese paard ligt er daarom een ingewikkelde, maar niet onmogelijke opdracht. Het ras heeft eerder diepe crises doorstaan dankzij betrokken fokkers en een sterk stamboek. De huidige uitdaging vraagt opnieuw om samenwerking: tussen fokkers, stamboek, dierenartsen, onderzoekers en gebruikers. Daarbij past geen simplistische tegenstelling tussen traditie en gezondheid. Juist wie het Friese paard als ras wil behouden, zal gezondheid, genetische diversiteit en verantwoord hengstengebruik centraal moeten stellen.

Het Friese paard blijft een bijzonder Nederlands ras. De kunst is om dat niet alleen uiterlijk, maar ook genetisch en functioneel toekomstbestendig te houden.

Bron: Maurice Vaessen, Stichting Zeldzame Huisdierrassen

Deel dit bericht

Meer nieuws